Opleidingscommissie (OC)

Algemeen

De opleidingscommissies geven de faculteiten advies over het onderwijs van specifieke opleidingen. De opleidingen wijsbegeerte en moraalwetenschappen worden georganiseerd door de opleidingscommissie wijsbegeerte en moraalwetenschappen. Deze commissie stelt de programma's vast en duidt elk jaar de lesgevers voor de opleidingsonderdelen aan. Hiervoor richt ze zich tot de vakgroepen, die de lesgevers voorstellen. In de opleidingscommissie zijn ook de studenten vertegenwoordigd.

De secretaris van deze opleidingscommissie is prof. dr. Maarten Van Dyck.

Op de website van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte vind je de voorzitters en secretarissen van alle opleidingscommissies binnen de faculteit.

Opdracht

Tijdens de vergadering van het bureau van de onderwijsraad op 24/03/97 werd de opdracht van de opleidingscommissies als volgt gepreciseerd:

  • De opleidingscommissies zijn permanente adviesorganen van de faculteiten met betrekking tot het algemeen beleid en de organisatie van het onderwijs van de betrokken opleiding(en).
  • In dit kader staan zij in voor het bepalen van de doelstellingen, de vormgeving en de praktische uitwerking van de inhoud van het onderwijs, voor het verloop en de begeleiding van de onderwijs-leerprocessen en dragen zij verantwoordelijkheid voor de resultaten ervan.
  • Hun taak omvat tevens de voortdurende optimalisering van de kwaliteit van het onderwijs.
  • In die zin zijn zij belast met de totale curriculumconstructie voor een of meerdere opleidingen (ontwikkeling, implementatie en evaluatie).

Samenstelling

De samenstelling van de opleidingscommissies (OC) is vastgelegd door het Bestuurscollege van de Universiteit Gent op hun vergadering van 27 maart 1992:

Elke faculteit richt per opleiding of groep van aan elkaar nauw verwante opleidingen een opleidingscommissie op (waarin desgewenst ook leden uit andere faculteiten kunnen zetelen).

  • Elke opleidingscommissie dient voor tenminste de helft te bestaan uit leden van het zelfstandig academisch personeel (ZAP) (met inbegrip van het vast benoemd wetenschappelijk personeel dat bij het onderwijs betrokken is);
  • Elke opleidingscommissie dient voor tenminste één derde te bestaan uit studenten;
  • Het assisterend academisch personeel (AAP) (met inbegrip van de tijdelijke fondsers die bij het onderwijs betrokken zijn) dient vertegenwoordigd te zijn in de opleidingscommissie.

Het staat elke faculteit vrij bijkomende algemene richtlijnen uit te vaardigen waaraan alle opleidingscommissies binnen de eigen faculteit moeten voldoen (zoals een aan te bevelen beperking van het totaal aantal leden tot bv. 18).

Een opleidingscommissie heeft een voorzitter en een secretaris.